Posts Tagged onlinenetwerken

Ik ga podcasten en wel hierom

Ik ben me nooit zo bewust geweest van het verschil tussen mannen en vrouwen. Opgroeiend tussen twee grote broers gedroeg ik mij meer als jongen dan meisje. Dat is eigenlijk altijd zo gebleven. Tussen de mannen ben ik thuis, tussen de vrouwen nog altijd wat ongemakkelijk. Ik vond het dan ook prima om te studeren aan de Universiteit Twente, waar eind jaren negentig een studerende vrouw nog altijd schaars was. Ik ben nooit lastig gevallen en als ik daarom vroeg fietste er ook midden in de nacht altijd iemand met me mee om me thuis te brengen. Voor mij zijn mannen nooit een bedreiging geweest. Ik hoorde wel verhalen over meisjes die lastig werden gevallen, maar ik bewoog me blijkbaar op een manier door de wereld waarmee ik de dreiging op grote afstand hield. Nu terugkijkend weet ik dat ik geluk heb gehad.

De online wereld bleek net de echte wereld.

De eerste keer dat ik mij realiseerde dat vrouwen ook in de online wereld een prooi kunnen zijn, was toen er in 2007 een verhaal in mijn netwerk opdook over een vrouw die bloggend een online reputatie als professional had opgebouwd en zich plotseling genoodzaakt voelde offline te gaan. Een vrouw die, eigenlijk alleen maar omdat ze zichtbaar was geworden in haar professionele community, uitgescholden werd op ongekende schaal en zelfs doodsbedreigingen ontving. Als blogger en twitteraar werd ik mij voor het eerst bewust van mijn online kwetsbaarheid. Als iemand het op je gemunt heeft, dan ben je kansloos.

De eerste keer dat ik zelf geconfronteerd werd met de onvriendelijke online cultuur was toen ik begon te publiceren op Youtube. De eerste commentaren die ik ontving waren gericht op mijn uiterlijk, niet op de inhoud. De opmerkingen door wildvreemden raakten me. Ik was daar, zeker vijftien jaar geleden, heel gevoelig voor. Uitgelachen en buitengesloten was ik al vaak genoeg in mijn jeugd, de online wereld hoefde daar niet nog een schepje bovenop te doen. Ik liet Youtube al snel weer links liggen en verhuisde mijn video’s naar Vimeo, een kleinere community die wel focuste op de inhoud.

En het werd alleen maar erger

Sociale media zijn sinds 2007 niet vriendelijker geworden voor vrouwen. Tijdens mijn research voor het schrijven van dit verhaal kwam ik een podcast uit 2014 tegen waarin de vrouw die in 2007 offline ging met haar blog voor het eerst vertelde over die periode. In 2014 waagde ze zich opnieuw op Twitter en kwam tot de conclusie dat het de haat vele malen erger was geworden. “And everyone is OK with this?!”, wilde ze steeds roepen. Haar haters vonden haar nieuwe profiel in no-time. Ze verliet Twitter opnieuw, dit keer voorgoed. Ze kwam ook tot het inzicht dat zichtbaarheid op sociale media geen voorwaarde is voor een goede carrière. Jonge vrouwen in haar werkveld hebben volgens haar meer aan specifieke fora waarin je je professionaliteit kunt tonen. Ze zegt dat je je niet moet laten misleiden door het narratief dat zichtbaarheid via sociale media noodzakelijk is.

En toen kwam Gamergate

Een absoluut dieptepunt was een zeer grote haatcampagne tegen een aantal game ontwikkelaars in 2014, ook wel bekend als Gamergate. Als je deze haatcampagne niet live hebt zien ontwikkelen, kun je je denk ik bijna niet voorstellen dat het echt gebeurd is. De start van dit hele verhaal is een blogpost van een ex-vriend van een game developer. De ex-vriend deed verslag van het verloop van hun relatie (waarom iemand dat online wil publiceren is al een raadsel in zichzelf) en beschuldigde zijn ex een relatie te hebben aangeknoopt met een journalist om een positieve review voor haar nieuwe game te krijgen. Het was een aantoonbare leugen, maar het zorgde voor ophef onder (mannelijke) game developers. Officieel ging de discussie over ethiek van journalisten, in werkelijkheid was het misogynie. Om een beeld te schetsen van de bizarre gebeurtenissen: de game developer moest onderduiken vanwege doodsbedreigingen, vrouwen die het voor haar opnamen werden ‘gedoxt‘, en arrestatieteams werden op criticasters afgestuurd (het zogenaamde ‘swatting‘).

Ten tijde van GamerGate heb ik met verbazing het ene na het andere artikel gelezen over welke troep de betrokken vrouwen over zich uitgestort kregen, vooral uit de hoek van een zeer specifieke groep mannen die zich verzamelde op inmiddels verbannen discussiegroepen. Diezelfde groep is ook vandaag de dag nog altijd verspreider van online gif. De leden van die groep injecteren bewust onwaarheden in online discussies om zo hun abjecte gedachtegoed te kunnen verspreiden (en die door gebruik te maken van verhullend taalgebruik achteraf altijd zullen zeggen dat ze het niet zo bedoelen). In de aflevering Handboek voor haatzaaiers van Medialogica, onlangs uitgezonden, kwam dit fenomeen aan bod. Eén van de slachtoffers van Gamergate komt in deze aflevering ook uitgebreid aan het woord.

Gamergate speelde zich vooral in de VS af, maar ook aan deze kant van de oceaan is virtuele intimidatie aan de orde van de dag. Van online scheldpartijen kijken we niet meer op. Bij chantage om publicatie van een naaktfoto te voorkomen wijzen we eerst naar de vrouw die maar niet zo stom had moeten zijn een naaktfoto te sturen. Met eigen ogen heb ik gezien hoe een vriend van me, vader van twee kinderen, zonder blikken of blozen in WhatsApp een foto van een kleuter met volwassen penis erbij ‘geshopt’ stuurt. Geintje. Je zou het ook kinderporno kunnen noemen.

In 2016 bleek uit een grote Europese studie dat één op de drie jonge vrouwen (tot 30 jaar) te maken heeft met cyberintimidatie. Ik zie een klein lichtpuntje in dat getal. Het is fors minder is dan de 73% van de vrouwen die ooit seksueel geïntimideerd zijn en ook minder dan de 45% van de vrouwen die ooit in haar leven fysiek en/of seksueel geweld mee heeft gemaakt.

Minder zichtbaarheid in ruil voor een veilig gevoel

Dat ik mezelf online wilde beschermen is dus niet zo gek. Was de tijd van bloggen in het begin van de 21e eeuw online veilig geweest, de verschuiving naar online interactie op grote platformen als Twitter maakte dat ik mij terugtrok in een veiligere omgeving. Afgeschermde accounts met alleen contacten die ik ook daadwerkelijk ontmoet had. Op die manier bleef mijn netwerk een fijne plek voor gesprekken, maar niet meer onder miljoenen ogen, zoals ik ooit betoogde voor mijn afstuderen. Mijn professionele netwerk groeide daarom maar mondjesmaat, omdat ik minder zichtbaar was in de wereld van sociale media die voor mij als communicatieprofessional de kern van het vak zijn geworden.

Door het lezen van de artikelen rondom Gamergate ben ik bewuster geworden van mijn vrouw zijn, en wat dat in extreme gevallen kan betekenen. Kon ik het eerst nog in mijn hoofd parkeren als een incident, die ene vrouw heeft gewoon pech gehad, werd me nu duidelijk dat het systematisch is. Daarmee werd mijn nieuwsgierigheid gewekt en dook ik dieper in het thema van de positie van vrouwen in de maatschappij. Welke mechanismen zijn hier aan het werk? Op welke plekken worden vrouwen nog meer tegengewerkt? En gaat dat bewust of onbewust?

Het patroon dat je niet meer kunt ontzien

Als je eenmaal iets hebt gezien, kun je het niet meer ontzien. Ineens viel me op hoe de prestaties van de mannenschaatsers op de olympische spelen langer en prominenter op de voorpagina van nieuwssites stonden dan de prestaties van de dames. Ik las dat het aandeel van vrouwen in de media stagneert, en dat de expert in het nieuws bijna altijd een man is. En als kers op de taart kwam ik erachter dat ik mezelf gelukkig mag prijzen als een arts het op tijd herkent wanneer ik een hartaanval krijg, omdat de symptomen bij een vrouw helemaal niet lijken op het klassieke mannelijk beeld van een hartaanval. ’t Is vast stress mevrouwtje, niets aan de hand.

Als tiener, twintiger en dertiger ben er ik altijd van uitgegaan dat ik een gelijkwaardige uitgangspositie had ten opzichte van mannen. De generatie van mijn moeder, en de vrouwen na haar hadden alles wel bevochten, dacht ik. En ik plukte daar toch al de vruchten van? Deels is dat ook waar. Ik heb een wetenschappelijke opleiding gedaan, ik ben gaan ondernemen en vriendinnen hadden een baan. Kinderen kwamen er alleen als we er echt aan toe waren. Nu brengen we onze kinderen naar de opvang of school en de vaders halen ze weer op, of andersom, en in de tussentijd zijn we met collega’s of klanten in de weer. Een rijk leven waarin we werken en zorgen tegelijkertijd. De mannen ook.

Maar de vrouw in Nederland werkt nog niet zoveel uren als de man, en de Nederlandse man zorgt nog niet zoveel uren als de vrouw. Als klap op de vuurpijl blijkt de loonkloof tussen mannen en vrouwen niet af, maar toe te nemen. Die gelijkwaardige uitgangspositie is er dus nog niet.

Nu ik als veertiger de systematische achterstelling van de vrouw niet meer kan ontzien, voel ik me verplicht bij te dragen aan het verbeteren van het systeem. Maar hoe dan? Als éénpitter heb ik relatief weinig invloed. Natuurlijk wil ik vooral het beste rolmodel zijn voor mijn dochter. Mijn man en ik werken allebei vier dagen, hebben de taken in het huishouden redelijk goed verdeeld. Maar hoe creëer ik impact buiten de grenzen van mijn gezin? Deze vraag spookt al een jaar of twee door mijn hoofd.

Ik denk dat ik het antwoord heb gevonden.

Vrouwen moeten juist zichtbaarder zijn, als professional

Eén van de dingen die me begon op te vallen was hoe weinig ik las, hoorde of zag over de vrouw als professional. Zoveel artikelen, podcasts, en gesprekken gingen over de balans tussen werk en privé. Waar waren de verhalen over de fascinatie van de vrouw voor haar vak?

Waar halen mijn vriendinnen eigenlijk hun voldoening uit? Hoe zijn zij manager geworden? Welke hobbels hebben zij allemaal moeten nemen om in grote bedrijven door te groeien? Hoe zijn ze ondernemer geworden? Dat zijn verhalen waar ik zelf nieuwsgierig naar ben, waar ik van zou kunnen leren. Waar een nieuwe generatie van zou kunnen leren. En als die verhalen er nog niet voldoende zijn, dan moet ik die verhalen zelf gaan ophalen.

Ik heb besloten dat ik vrouwen ga interviewen over hun werk. Ik ga ze vragen waar ze voldoening uithalen. Hoe ze zich ontwikkelen als professional. Ik wil weten waarom ze een carrière-switch maken. Waar zijn ze teleurgesteld over. Ik wil weten waar ze over dromen. Ik wil horen over de beren die ze op hun weg tegenkomen en weten hoe ze daar overheen stappen. Of niet. Kortom, ik wil de vakvrouw leren kennen. Dat die vakvrouw misschien ook nog moeder is en het huis af en toe stofzuigt vind ik minder relevant.

De interviews worden mijn bijdrage aan het zichtbaar maken van professionals (v). Hopelijk is dan over twintig jaar, wanneer mijn dochter de arbeidsmarkt op komt, haar ambitie geen bedreiging meer voor een specifieke groep mannen, maar een bron van inspiratie.

Een eerste interview is inmiddels opgenomen en ik ben bezig deze te verwerken tot een podcast. Of ik dat kan? Hoe kan ik dat nou weten als ik het nog nooit geprobeerd heb?

Wil je als eerste weten wanneer de podcast online staat? Schrijf je dan in op de mailinglijst speciaal voor deze podcast. Bonus: daar verklap ik ook de naam van de podcast!

0

RIP Web 2.0 (?)

Als ik tussen de regels van het nieuws lees, dan krijg ik het gevoel dat we een kantelpunt naderen. Web 2.0 staat op het punt van sterven, alleen wij moeten nog even met z’n allen bepalen wanneer we de stekker er uit trekken.

Oud-medewerkers van de grote spelers hebben zich nu zelfs verenigd om te strijden tegen de macht van hun voormalige werkgevers. De winst van een merkwaardige en domme president wordt voor een deel toegeschreven aan de echokamers die door een onzichtbare en schijnbaar oncontroleerbare hand gecreëerd worden. Ik heb het dan natuurlijk over de algoritmes die een bedrijf als Facebook gebruikt om ons het nieuws uit je eigen netwerk te presenteren. Het lijkt erop dat deze onzichtbare hand zich heeft overspeeld en de spelers één voor één besluiten het spel te verlaten. Met bijna anderhalf miljard dagelijkse gebruikers zal het even duren voordat het speelveld verlaten voelt, maar in sommige hoeken van Facebookland dient de leegheid zich al aan. In mijn eigen netwerk bijvoorbeeld.

Ik heb een aantal maanden geleden al besloten Facebook zoveel mogelijk links te laten liggen. Het brengt me weinig waarde meer. De vulling van mijn tijdlijn is onder invloed van algoritmes en leegloop verschraald. Veel advertenties tussen de updates, gepresenteerd alsof iemand in mijn netwerk me dit aanraadt te bekijken of te kopen. Het uitwisselen van interessante links, boeken en artikelen is een kunstvorm die door het gros van de mensen die later aan boord zijn gesprongen niet wordt gebezigd. Het presenteren van je leven is de norm geworden. Begrijpelijk, want we zijn allemaal mensen en we willen allemaal leuk gevonden worden. Ik ben meer van het slag geïnformeerd te willen zijn over het reilen en zeilen van de wereld. Ik kom nu beter aan mijn trekken via de bekende nieuwskanalen dan pak en beet tien jaar geleden. Ook zij hebben ogen en oren gegroeid dankzij de versneller van het web. Ergens een goede ontwikkeling. Een journalist is over het algemeen beter uitgerust om een verhaal te vertellen over een goed dieet dan een zelfverklaarde dieetgoeroe die ook wel eens een boekje heeft gelezen.

Af en toe scrol ik nog even door m’n tijdlijn om een inkijkje te krijgen waar vrienden mee bezig zijn en of er nog interessante artikelen gedeeld zijn. Liken doe ik sporadisch, commentaar geven alleen als ik het echt nodig acht. Om bijvoorbeeld een kennis een hart onder de riem te steken in een verdrietige periode. Inloggen doe ik minder en minder. Facebook ziet dat en stuurt me zelfs mailtjes met een teaser wat ik allemaal wel niet gemist heb. Als ik zo’n mailtje tegenkom in mijn mailbox voel ik mij triest. Niet om wat ik eventueel gemist heb, maar om het getrek van een bedrijf aan mijn aandacht om meer over mij te weten te komen dan ik zelf over mezelf kan bedenken. En daar dan geld aan probeert te verdienen.

Facebook is de plek waar het grootste deel van mijn netwerk, online en offline ontmoet, rondhangt. Twitter heb ik jaren geleden al verlaten. Google’s sociale tak ben ik nooit aan begonnen en LinkedIn gebruik ik nog steeds vooral als een online CV, niet als een plek om verhalen te delen. Dat krijg je als je lid bent van het eerste uur. De mogelijkheden van zo’n netwerk worden uitgebreid en iedereen die later aan boord stapt heeft die functionaliteit als basis, voor mij voelt het nog steeds wezensvreemd om te facebooken in een linkedin-jas.

Flickr is al meerdere keren doodverklaard. Instagram daarentegen floreert als een gek. Ik hield vast aan Flickr, helemaal toen Facebook eigenaar werd van het fotoplatform. Veel nieuwe foto’s voeg ik er niet meer aan toe. Toch is Flickr voor mij nog altijd de beste beeldbank om foto’s te vinden onder Creative Commons licentie om in projecten en artikelen te gebruiken.

WhatsApp heb ik enkelen weken na de overname door Facebook van mijn telefoon verwijderd. Ik wist toen al dat de belofte van de WhatsApp-oprichter dat gegevens niet gedeeld zouden worden met Facebook, een loze was. Ik kreeg gelijk. Nu denken mensen dat ik onbereikbaar ben, omdat ik geen WhatsApp gebruik. Als ik dan zeg dat SMS ook nog altijd werkt moeten ze gelukkig ook heel hard om zichzelf lachen. Tegenwoordig kost dat ook niets meer.

Als twintiger en begin dertiger hing ik nog wel eens met m’n neefje en nichtje in dezelfde online netwerken rond. Die kruisbestuiving tussen generaties is dankzij groepschat en privacyinstellingen om zeep geholpen. Niet erg, want de jeugd heeft het recht op een beetje privacy bij het delen van inhoudsloze en amorele grappen onder elkaar. Gelukkig doen ze dat niet meer op publieke pagina’s van Hyves of hun openbare Twitter tijdlijn. Ook in de online opvoeding zijn we volwassen geworden. In 1998, toen ik voor het eerst een website maakte voor mijn opleiding, waren we er van overtuigd dat we een website nog weer konden verwijderen. Twintig jaar later weten we dat het web niet vergeet. We weten ook hoe een digitaal document zich laat verspreiden op een schaal die we nog niet eerder in de wereld hebben meegemaakt.

Als ik dit zo opschrijf voel ik me een oma die herinneringen ophaalt aan haar jeugd. Het gekke is, dit is niet mijn jeugd maar mijn volwassen leven. Pas op m’n negentiende heb ik voor het eerst iets op het internet kunnen zoeken. Sinds die tijd heb ik alles dat online gebeurde omarmd. Het was alsof ik een zuurstofslang in mijn neus geduwd kreeg en jarenlang interactie-high heb rondgelopen. Ik leerde mensen in andere landen kennen, ik ontmoette ze op conferenties, ik leerde nieuwe vakgebieden kennen, las ineens veel meer interessante boeken, was beter geïnformeerd over de wereld. Ik deelde van alles met heel veel verschillende mensen in de kanalen van het moment. Maar nu, twintig jaar later ben ik me aan het terugtrekken uit diezelfde wereld en ben ik weer terug op het kleine eilandje waar ik begonnen ben: mijn blog.

Ik ben nog steeds overtuigd van de waarde van ervaringen en verhalen delen, maar het voelt ook wel een beetje eenzaam in mijn eigen ruimte. Het grote publiek zit nog altijd bij de voorstelling van Facebook. Ik heb de voorstelling verlaten en sta nu bij de uitgang visitekaartjes uit te delen. Ik ben weer terug in Speaker’s Corner op een koude regenachtige dag. Het spaarzame potentiële publiek heeft de handen diep in de zak gestoken en verbergt de neus in de sjaal. Als het publiek er niet meer is, dan ontbreekt het gesprek en het open gesprek was ooit het startpunt van mijn ontdekkingsreis naar het sociale web. Al lange tijd verlang ik terug naar die gesprekken: inhoudelijk, open, werelds. Ze werden ondergesneeuwd door foto’s van katten en kinderen. Vele malen schattiger en makkelijker te liken.

Ik ben niet de enige die Facebook verlaat. Zo ben ik geïnspireerd geraakt door de beslissing van mijn vriend Peter Rukavina (woonachtig in Canada) om de deur naar Facebook definitief dicht te gooien. Ik moet zeggen, sinds die tijd hebben op regelmatig even een korte uitwisseling vie e-mail. En zal ik je eens wat verklappen? Het contact voelt veel warmer dan een icoon onder een bericht.

Zoals ik het interpreteer sterft het sociale web zoals we dat nu kennen een langzame dood. Teveel mensen zijn klaar met de onzichtbare hand die manipuleert wat je wel en niet te zien krijgt. Je kunt met je eigen dagelijkse leven niet opboksen tegen het gepolijste vrolijk gefilterde leven van honderden online vrienden. Je eigen worsteling zie je wel, die van een ander wordt bewust voor je verborgen. Inmiddels wijzen eerste onderzoeken uit dat het de psyche van een mens kan schaden.

We wilden toch alleen maar met vrienden kunnen kletsen en foto’s van de kinderen delen onafhankelijk van plaats en tijd? Facebook heeft aangetoond dat er een diepe menselijke behoefte is aan een ruimte tussen het privégesprek en de publieke ruimte. Genoeg mensen maken zich zorgen over de macht van de grote spelers. Ik verwacht dat de komende paar jaar veel meer mensen zich gaan terugtrekken in kleinere online gemeenschappen. In mijn kringen wordt er al lange tijd gesproken over gedistribueerde modellen als Diaspora. Volgens mij zijn we dicht bij het kantelpunt dat investeren in je eigen netwerk, vrij van manipulatie om financiële doelstellingen van aandeelhouders te moeten halen, gaat lonen. Mensen zijn meer en meer bereid afscheid te nemen van wat er is en zijn op zoek naar nieuwe plekken om rond te hangen.

Ondertussen blijf ik gewoon bloggen, zoals ik al een jaar of zestien doe. Fanatieker dan voorheen en iets minder persoonlijk dan ik op Facebook zou doen. Met een open hart en open blik zoek ik offline en online naar verhalen die ik de moeite waard vind om te delen. Ik hoop dat er af en toe iemand aanwaait waarmee een goed gesprek onder miljoenen ogen ontstaat.0